30 jaar Rotterdam: de beste marathonverhalen
Zondag 11 april start op de Rotterdamse Coolsingel de 30ste editie van de Fortis Marathon Rotterdam. Veel Nederlandse en Belgische lopers hebben bijzondere herinneringen aan deze inmiddels legendarische wedstrijd en daarom schreven wij in samenwerking met de marathonorganisatie een verhalenwedstrijd uit.
Léon Jansen: Marathon van het leven
Henk Sanders: Flandriens in Rotterdam
Marietta Smid: Spring maar achterop
Onderaan deze pagina zie je welke prijzen zij hebben verdiend!
Verder lees je op deze pagina de beste verhalen uit Rotterdam, terwijl de drie winnende verhalen in de nieuwe Runner's World staan, die vandaag verschijnt. Lees hier de inhoudsopgave.
De mooiste verhalen uit 30 jaar Fortis Marathon Rotterdam
Psychoanalyse
Na een vlekkeloze voorbereiding richt ik me in de 29ste marathon van Rotterdam op mijn persoonlijk record uit 2008 (3.10.42). Weer staan er estafettelopers in het vak voor ons. Wat een ergernis: joggers (sorry) blokkeren de doorgang. Zo worden de eerste vijf kilometer, afgezien van de laatste vijf, de langzaamste. Okee, niet ergeren, lopen!
Onderweg mis ik ergens de rand van de weg en stap in de berm. Deze ligt twintig centimeter lager, en ik ga languit op mijn gezicht. Knie kapot, handen beurs en vol met modder, en hevig geschrokken. Zo snel als ik onderuitga, sta ik ook weer op. Eén voordeel, ik ben drie kilometer verder voordat ik weer in de sleur terechtkom.
Vanaf 35 kilometer word ik schizofreen. Het ene stemmetje zegt: ‘Ga alsjeblieft langzamer lopen, ik wil niet meer, stop, wandelen’; het andere: ‘Kom op, onder de 3.10 uur is haalbaar.’ Ik ga met mezelf in psychoanalyse. ‘Je wilt langzaam, waarom, je bent moe, zijn je longen moe, nee, heb je geen energie meer, nee, zijn je benen moe, ja, nou en, dat hoort ook zo, stel je niet aan, lopen.’
Na 38 kilometer heb ik zo ontzettend geen zin meer dat ik besluit het tempo te verhogen. De gedachte aan 3.10 houdt me op de been. Ik kom bij de kubuswoningen, wat heb ik daar een hekel aan. Die dingen zie ik alleen als ik helemaal naar de knoppen ben. Dan de Coolsingel. Voor zover ik nog kan rekenen, lijk ik onder de 3.10 uur te gaan finishen. Adrenaline of waanzin doen me besluiten een eindsprint van vijfhonderd meter in te zetten. Ergens in de verte hoor ik mijn gezin schreeuwen, maar ik zie alleen de eindstreep: 3.09.39! Ik ben trots op mezelf, nog meer op mijn mentale vermogens dan op mijn lichamelijke.
Robert Erdkamp
Pijn in mijn portemonnee
Nadat ik in 2002 en 2003 wel had betaald maar door een slechte voorbereiding niet startte, vond in 2004 eindelijk mijn debuut in Rotterdam plaats. Helaas was de voorbereiding weer dramatisch slecht, maar drie keer moest nu toch echt scheepsrecht worden. Uitlopen met minimale pijn werd het uitgangspunt.
Logischerwijs werd ik door menigeen ingehaald, maar het toppunt was toch wel het volgende. Op enig moment hoorde ik continu een soort van rinkelend geluid achter me. Ook viel me op dat vanaf dat moment ik veel toejuichingen kreeg. Maar waren deze wel voor mij? Het mysterie werd duidelijk toen ik op een licht aflopend gedeelte heel langzaam door het rinkelende geluid werd ingehaald. Iemand had – echt waar – een rollator gemonteerd op een plank met wieltjes. Ai, dat deed m’n toch al gedeukte ego weinig goed. Toch keek ik hem vol bewondering na, terwijl hij langzaam van mij weg liep en rolde.
Uiteindelijk ben ik niet eens zo slecht gefinisht, gezien mijn minimale voorbereiding. Juist hierdoor werd ik gebeld door menige vriend, benieuwd naar hoe ik het ervan af had gebracht. Ik reed die dag in andermans auto, waar geen carkit in zat. Diverse telefoontjes liet ik onbeantwoord totdat ik er toch een aannam. Ik wilde immers graag kwijt dat ik het toch maar mooi geflikt had!
Enfin, ik stond in no time aan de kant, terwijl een motoragent een prent van honderdveertig euro uitschreef. Uiteraard probeerde ik uit te leggen dat mijn trots mij tot deze euvele daad had gedreven. Maar meneer de agent reageerde er totaal niet op. Dit was de enige keer in mijn leven dat ik zo makkelijk over een bekeuring heen stapte. De vreugde van het tóch halen van deze marathon was op dat moment veel groter dan de pijn in mijn portemonnee!
Danny Karijopawiro
2.07.12
In 1985 ging ik naar Rotterdam met een stift aan mijn startnummer. Vlak voor de start vroeg ik aan de aanwezige toplopers om een handtekening op mijn startnummer. Onder hen Benji Durden, Vincent Rousseau en John Graham, mannen die ik in hun finest moments op de televisie had gezien.
Eén kanjer was er nog niet: de met veel bombarie aangekondigde olympische kampioen van 1984, die een aanval op het wereldrecord zou doen. Toen we allemaal klaar stonden om te starten, was hij er nog niet. Zonder hem werd er niet gestart en moest iedereen wachten. Daar kwam hij plotseling in de verte aanlopen. Snel ging ik onder het startlint door, liet hem mijn nummer signeren, ging weer op de eerste startrij staan en pang!, daar gingen we.
Zoals zo vaak moest ik na dertig kilometer een tijd onder de 2.30 uur uit mijn hoofd zetten. Op het 35-kilometerpunt kwam ik door in 2.07.12. Vreemd genoeg begon iedereen langs de kant te juichen en te klappen. Ik keek achterom, wie liep daar? Maar ik liep helemaal alleen. Toen ik eindelijk in 2.39.12 binnen was, begreep ik dat hij op dat bewuste moment over de finish was gekomen en een wereldrecord had gelopen. Hij is en blijft een groot voorbeeld voor mij: Carlos Lopes uit Portugal.
Rinus Groen
Moeders houdt je in de gaten
Dat verdriet en blijdschap heel dicht bij elkaar liggen, ondervond ik tijdens de marathon van Rotterdam op 13 april 2008. Mijn doel was 3.30 uur, maar bij de start had ik een dubbel gevoel: wel of niet starten? Op vrijdag 11 april overleed mijn moeder. Mijn wereld stortte in. Alle voorbereidingen waren voor niets geweest. Maar mijn vrouw Ilse en mijn familie zeiden dat ik toch moest lopen. ‘Dat zou je moeder gewild hebben.’
Met een flinke brok in mijn keel en veel verdriet ben ik naar de start gegaan. Op mijn shirt had Ilse een foto van mijn moeder gespeld. De reacties van de mensen deden me goed. Bovendien was ik niet alleen. De eerste vijf kilometer cirkelde constant een helikopter boven mijn hoofd. Kom op, dacht ik, moeders houdt je in de gaten.
De tussentijden waren in het begin niet best, maar het publiek vrolijkte mij op en ik liep daarna weer sneller. Na 25 kilometer kreeg ik het te kwaad en wilde uitstappen, maar op dat moment vloog er weer een helikopter boven mijn hoofd. Ik moest verder van mijn moeder. Na dertig kilometer kwam de inspiratie terug om de 3.30 te halen, maar rond de veertigste kilometer botste ik tegen een toeschouwer. Weg 3.30. Ik was flink van slag. Nu was er nog maar één doel: finishen.
De eindtijd op de klok was 3.33.40. Ilse feliciteerde mij met de goede tijd. Volgens haar liep ik 3.29 nog wat. Dat geloofde ik niet. Ik keek op mijn horloge: 3.29.25. De emoties kwamen los. Dikke tranen van verdriet en blijdschap. Op de website las ik later de echte eindtijd: 3.29.21. Nog sneller! Weer dikke tranen. Dit alles heb ik te danken aan mijn moeder. Moe bedankt, ik zal je nooit vergeten.
Gerrit-Jan Scholtens
Duik in de Wolga
Door de strenge winter heb ik in de voorbereiding op de marathon van Rotterdam heel wat trainingskilometers afgelegd in Siberische omstandigheden. Het hoogtepunt was wel dat mijn dochters hond Fits, die altijd meeloopt, op een avond door het ijs zakte. Om hem te redden moest ik helemaal het water in en het ijs breken. Hij was dolblij toen hij eruit was en rolde driest door de sneeuw. Ik was haast net zo blij, maar meer van binnen. Van buiten had ik het vooral koud. Kletsnat en versteend van de kou liep ik de laatste kilometers naar huis.
Thuisgekomen klopte ik op het raam. Ik kreeg mijn verkleumde, gevoelloze hand niet in mijn zak om de sleutel te pakken. Mirjam, mijn vrouw, deed open. Praten kon ik niet. Mijn gezicht was stijf van de kou. Ik was ook emotioneel. Mirjam hielp mij uit de kleren. Toevallig stond er net een warm bad klaar. Daarin begon ik hevig te beven. Mijn handen deden ontzettend zeer van het tintelen. Urenlang. Mijn dochter Jade bracht koffie. ‘Jij gaat door het vuur voor Fits, hè’, zegt ze. Zo is het wel. Althans, door het ijs. Ik wil wodka! Ik heb immers in de Wolga gelegen, of wat scheelt het.
Paul de Groen
Au, mijn teen
Al enkele jaren doe ik in Rotterdam mee aan de Business Estafette Marathon (BEM). Twee jaar geleden stootte ik – een half uur voordat ik aanwezig moest zijn op de Coolsingel – mijn kleine teen zo hard dat deze zwart werd. Ik kon het team echter niet laten staan, dus ben ik toch gegaan. Ik heb de BEM uitgelopen, maar later bleek dat mijn kleine teen gebroken was.
Vanaf juli 2009 heb ik getraind voor de Fortis halve marathon van september 2009. Anderhalve week voordat de halve marathon zou starten, bleef ik met dezelfde teen achter een slipper hangen. Resultaat: een gescheurd kapsel. Toch heb ik na anderhalve week rust de halve marathon uitgelopen.
Sinds december 2009 loop ik bij de Brugrunners. Daar ben ik enthousiast gemaakt voor de hele Fortis Marathon Rotterdam van 11 april aanstaande. Wij zijn nu regelmatig aan het trainen en het lijkt wel of het me weer niet meezit. Sinds ik me heb opgegeven voor de marathon, heb ik onder het lopen een spiertje verrekt en ben ik in bad onderuitgegaan. Daardoor werd de binnenkant van mijn bovenbeen helemaal blauwzwart. Kortgeleden ben ik bovendien heel hard op mijn stuitje gevallen. Hiervan heb ik nu nog last, maar ik geef het niet op, ik blijf trainen. Ik wil de marathon uitlopen, ook al heb ik steeds pech.
Zo nu staat het zwart op wit! Nu maar hopen, dat ik bij de finish van de marathon kan zeggen: Yes, I did it!
Jacqueline van Bemmelen
[25 maart 2010]
Redactie Runner's World
Zie ook: Het mooiste verhaal...
Derde prijs: een Supernova sportbril van Adidas Eyewear.

