DSB MARATHON HOORN
![]() |
Op de ochtend van 17 mei 2009 werd ik al vroeg wakker uit een onrustige slaap. Regen kletterde op het dak, zoals het de hele nacht had gedaan. Vandaag zou ik mijn eerste marathon lopen, de DSB-marathon in mijn woonplaats Hoorn. Ik maakte me zorgen. De voorbije dagen had het mantra goed rusten, veel drinken, niet te hard van start gaan mijn gedachten beheerst. Al honderden keren had ik de race voor mijn geestesoog afgedraaid, maar met regen had ik geen rekening gehouden.
Van elke vorm van begeleiding had ik niks willen weten in de drie maanden van mijn voorbereiding. Trainingsschema´s, hartslagmeters, dure schoenen, naar mijn idee ging dat allemaal ten koste van de pure sportbeleving. Ik haalde een paar boeken uit de bieb en verslond die. Dat moest genoeg zijn. Lopen is lopen. En lopen deed ik zo´n 70 á 80 km in de week. Met inachtneming van voldoende variatie en de noodzakelijke rustperiodes natuurlijk. Zoveel was ik wel te weten gekomen.
Ik stapte in een paar ouwe schoenen, schoot mijn winterjas met capuchon aan en verliet mijn huis. Ik woon nagenoeg aan het parcours. Na vijf minuten wandelen kwam ik bij de schouwburg aan, waar volgens de met witte verf op het wegdek aangebrachte aanwijzingen het keerpunt zou zijn. Minder dan twee uur voor de start was er nog geen vrijwilliger te bekennen. Het plensde nog steeds van de lucht.
Ik wandelde verder. Bij de start waren wel al mensen van de organiserende loopgroep aan de gang. Twee mannen in gele regenponcho´s stonden aan een dikke electriciteitskabel te trekken. Bij een marktkraam op het pleintje voor sportschool Van der Werff meldden zich de eerste deelnemers. Mijn kleren waren al doornat en plakten aan mijn lichaam. Zou dit ten koste gaan van de prik in mijn benen? Als de prik goed was, zou ik 3.10 kunnen lopen, volgens de calculator op Runnersweb. Maar ik had mezelf wel eerder verbaasd, dus waarom was een tijd wat dichter bij de 3 uur niet mogelijk?
Thuisgekomen ontdeed ik me van mijn natte kleren en schoenen en scharrelde mijn loopkloffie bij elkaar. Zeker twintig minuten was ik bezig het rug- en het buiknummer enigszins recht op mijn shirt te spelden. Op de plank boven de kapstok vond ik een petje. Ik loop nooit met een petje, maar drie uur en tien minuten lang de regen op mijn kale kop deed me iets te veel aan waterboarding denken. Na een paar geroosterde boterhammen met hagelslag begaf ik me naar het startpunt bij sportschool Van der Werff.
In het startvak ontmoette ik mijn loopmaat Gerard. Hij was gekleed in een wapperend stuk plastic. We wensten elkaar veel succes of sterkte of een behouden vaart ofzoiets. Het zag er niet naar uit dat we tijdens de marathon veel steun aan elkaar zouden hebben, aangezien zijn streeftijd een uur boven die van mij lag. Het startschot werd gegeven met een heus kanon dat bediend werd door twee mannen in klederdracht uit het westfries museum. Het voorgaande jaar waren er ruiten gesneuveld, vertelde Gerard. Ditmaal bleef alles heel.
Tot ieders opluchting hield het precies om elf uur op met regenen. Zo ontspannen mogelijk legde ik de eerste meters af. Met een sprongetje ontweek ik een plas. ‘Hey, pas op…’ riep degene die achter me liep. ‘Je houdt je voeten toch niet droog vandaag…!’ Hoongelach klonk op uit de rangen van de lopers om me heen. Het parcours leidde ons ongeveer twee kilometer door de stad. Vervolgens - deels over de IJsselmeerdijk, deels over wandelpaden - met tegenwind richting Scharwoude, Schardam en Etersheim, waar de lus was. Met de wind in de rug ging het over dezelfde dijk terug tot de schouwburg. En dan volgde nog een rondje voor de bijna 150 deelnemers.
Aanvankelijk hield ik me rustig, zoals ik me had voorgenomen en zoals tientallen mensen me de weken voorafgaand aan de race al op het hart hadden gedrukt. Na een kilometer of drie, nog een eindje voordat we recreatiegebied De Hulk injogden, kwam ik in een groepje terecht met aan kop een stevig gebouwde rasta met witte, hoog opgetrokken kniekousen. Hij droeg een flesje sportdrank voor zich uit. Ik mocht hem meteen erg graag. Ook een paar andere leden van het groepje leken me heel aardig. Een van hen moest wel te snel zijn voor onze categorie lopers. Hij zag eruit - qua uiterlijk, qua loopstijl en qua hoog ingesneden sportbroekje - als Haile Gebresallasie. Zijn maatje Rinus had een veel zwaardere tred. Hij liep de hele tijd naar zijn polshorloge te loeren. Na een tijdje zei hij:´Het tempo is te hoog, ik pas hier even hoor…´ Waarna hij zich liet afzakken. Aan de finish bleek dit een goede beslissing geweest te zijn. Hij was meer dan een kwartier eerder binnen dan Haile, las ik´s avonds in de uitslag.
Ik vroeg: ‘Op welke tijd richten jullie je…?
Haile antwoordde: ‘Ergens tussen de 3.30 en 3.40…’
Ik schrok. Ik bevond me in verkeerd gezelschap. Als ik te lang bij dit groepje bleef hangen, kon ik een goede tijd wel uit mijn hoofd zetten. Alsof hij mijn gedachten kon lezen, voegde de rasta met de kniekousen eraan toe: ‘Nu lopen we nog best snel, maar hoe langer het duurt hoe verder het tempo zakt…’ Moest ik gerustgesteld zijn? Je kunt te snel beginnen, maar als je te langzaam begint, kun je je na afloop waarschijnlijk ook wel voor je kop slaan. En dan? Wat kan er helemaal fout gaan? Dan eet je toch een keer zwart brood. Dan loop je toch een paar kilometer met pijn in je donder. Pain is inevitable, suffering is optional bracht ik mezelf het overbekende runnerscredo in herinnering. Ik besloot te versnellen. Bij het vijf-kilometerpunt gaven de digitale cijfers langs de kant van de weg 23 minuten aan.
Nadat we De Hulk verlieten, draaiden we bij Scharwoude de dijk weer op. Er stond een forse wind. Zo’n honderd meter voor me liet iemand zich door een meisje op de fiets uit de wind houden. Kilometerslang keek ik uit naar het moment dat ik hen zou bereiken. Het leek me heerlijk om even uit de wind te lopen. De afstand werd soms iets kleiner en een bocht verder weer iets groter. Ik durfde niet nog eens te versnellen. Achter me hoorde ik hoe iemand met een licht inspanningskuchtje langzaam naderbij kwam. Laat je niet gek maken, dacht ik bij mezelf. Het verbaasde me dat het de rasta met de kniekousen was. ‘Hey, ik dacht dat ik jou vandaag niet meer terug zou zien…’ zei ik in alle eerlijkheid. Hij grijnsde. In zijn zog nam hij Haile mee en nog een twee andere lopers. Samen met de rasta bleef ik een tijd op kop lopen. Ik probeerde het tempo een beetje op te voeren opdat ze voelden hoe sterk ik was.
Het meisje op de fiets kwam steeds meer in zicht. Bij het kerkje van Schardam hield ik het niet langer. Ik sloeg de plastic bekertjes bij de drinkpost over en plaatste een fel tussensprintje. De man in het groene t-shirt keek geschrokken om alsof hij zeggen wilde: waar komt die ineens vandaan? ‘Kan het wat harder…!’ riep ik met een grote glimlach tegen het meisje. ‘Nou deze meneer gaat het wel redden…’ zei de man tegen het meisje. ‘Je ziet wel hoe soepel hij loopt…’ Ik bleef niet lang achter de fiets hangen. Sterk als ik me voelde, lonkte enkele tientallen meters voor me alweer een nieuw groepje. Het tien-kilometerpunt bereikte ik in iets minder dan 46 minuten, wat me alweer aan het rekenen zette. Als ik nog iets kon versnellen, lonkte de magische drie-uursgrens. Dat zou wat zijn!
Na de lus in Etersheim, volgde een stuk van ongeveer tien kilometer over de IJsselmeerdijk met de wind voornamelijk in de rug. We kwam midden in het deelnemersveld van de halve marathon terecht, die een kwartier later was begonnen en waarvan het keerpunt eerder kwam. Handig pikte ik telkens enkele tientallen meters aan bij de lopers die me inhaalden, tot ik een groepje bereikte van drie mannen van middelbare leeftijd. Geoefende lopers. De meest rechter had een getrimd baardje. Hij leek me een zwijgzaam type. Zijn maat in het midden was beladen met zakjes en flesjes aan een gordel om zijn middel. De derde was een lange, spichtige man van tegen de vijftig, schat ik. Hij was degene die omkeek. ‘Marathon of halve marathon…?’ vroeg hij. ‘Marathon!’ zei ik verguld. ‘Ik heb me door die jongens daarvoor naar jullie laten brengen…’ Ik wees naar de twee jongens in rood-witte AZ-tricots die hen net hadden ingehaald.
Ik houd best van een praatje op zijn tijd, maar de lange spicht maakte het wel erg bont. Hij kon zijn kop niet houden. In korte tijd kwam ik te weten dat dit zijn eerste marathon sinds twaalf jaar was en dat hij zich vroeger altijd voorbereidde door veel pannenkoeken en bruine boterhammen te eten maar dat tegenwoordig alles moest fluoresceren: ‘De pakjes, de drankjes, de gelletjes…’ ‘Ja maar pannenkoeken passen niet onder mijn gordel…’ zei de man in het midden ter verdediging. De man met het getrimde baardje deed er het zwijgen toe.
De halve marathon in iets minder dan 1.36 uur. Goed op schema dus, in aanmerking genomen dat ik meestal een negative split loop. We waren de klok nog niet gepasseerd of de drie mannen begonnen te versnellen, het getrimde baardje voorop. Dat komt goed uit, dacht ik. Ik zag mezelf al triomferend door de straten van mijn woonplaats rennen. ‘Zo, onder de drie uur? Dat had ik nooit van je verwacht!’ Met dit resultaat lachte ik mijn vrienden uit die op een gezellige januari-nacht mijn voornemen om binnen de drieënhalf uur te finishen zelfs al honend ter zijde hadden geschoven. ‘Zet het uit je hoofd joh…’ Er werd op mijn bolle buikje gewezen en op de twee glazen bier in mijn hand. ‘Daar komt wel effe wat meer bij kijken…’
Vijfentwintig kilometer in 1.53 uur. Drie minuten onder mijn PR op die afstand. De lange spicht kwam naast me lopen. ‘Dit is mijn eerste marathon na twaalf jaar…’ zei hij nogmaals. ‘Ja, dat hoorde ik je net zeggen…’ antwoordde ik. ‘En jij?’ ‘Dit is mijn eerste marathon…’ ‘Nou dapper hoor!’ Ik wou dat ie zijn mond hield maar hij praatte gewoon door. ‘En? Wat loop je op de halve?’ ‘Ehm… ik heb een keer één achtentwintig gelopen…’ ‘Oh, nou dan moet je vandaag zeker drie vijftien kunnen lopen… Een goeie graadmeter is altijd het eenentwintig-kilometerpunt… Als je daar het gevoel hebt dat je nog veel harder kunt, dan zit het wel snor…’
Ik had het gevoel alsof hij op mijn rug was gesprongen en nu hortsik de sporen in mijn bovenbenen jaste. Hij ging door: ‘Op de dertig kilometer kun je dan ineens zomaar de joker met de moker tegenkomen. Dat moet verschrikkelijk zijn, je zakt dan als een pudding in elkaar – althans, zo voelt het – en dan is het nog een eind hoor, twaalf K… Nee, het eerste rondje moet je jezelf echt in acht nemen, geloof mij maar…’
Zijn woorden misten hun uitwerking niet. Beladen met de zelfvervullende profetie van de lange spicht, probeerde ik nog een tijdje alles wat ik kon, maar ik moest de drie tenoren laten gaan. Mijn benen liepen vol met het gal van mijn naderende ondergang. Een klein vrouwtje dat hele kleine, fijnzinnige stapjes nam, haalde me in. Ook haar moest ik laten gaan. Verscheidene andere lopers die ik de eerste ronde nog schamper van opzij had aangekeken terwijl ik ze inhaalde, liepen me nu fluitend voorbij. De man achter het meisje op de fiets groette discreet. Ik was machteloos. Alle kracht was uit mijn benen geslopen. Het was alsof ik op badslippers liep. ‘Dan is het nog een heel eind hoor…’ echoode het in mijn hoofd.
Als door een goudverlichte scheur aan de hemel hoorde ik ineens mijn naam langs de kant. ‘Hey Albert, Albert, stop even, ik heb iets voor je…’ Het was Hans, een vriend die ik ken van de schaakvereniging waar ik al jaren lid van ben. Op een keer aan de bar, na afloop van een nipte remise-partij, had hij me beloofd langs de kant te zullen staan met zakjes vloeibaar voedsel, herinnerde ik me. Zijn zoon doet aan topsport. ‘Dat spul krijgen we met dozen tegelijk van de sponsor…’ ‘Ja, is goed…’ had ik gezegd. ‘Baat het niet, dan schaadt het niet…’
Voor het eerst stopte ik met lopen en viel in de armen van Hans. ‘Ik ben helemaal kapot Hans, ik ga het niet redden…’ ‘Ben je gek…’ zei Hans. ‘Je ligt hartstikke goed in de wedstrijd. Dat wordt een toptijd, man!’ ‘Oh, ik ben zo dom geweest…’ kermde ik. ‘Hier…’ zei Hans. Hij draaide het dopje van een kleurig knijpzakje af en duwde de tuit tussen mijn lippen. Een walgelijk zoete derrie kroop mijn mond binnen. ‘Zo, daar kikker je van op. Over een minuut of twintig krijg je er een flinke boost van…’ zei Hans. ‘En nu doorlopen jij! Het is nog maar dertien kilometer…’
Hier liep ik, op badslippers, met een droge mond van de zoete derrie die pas over twintig minuten prik zou opleveren, met wind op de kop die veel straffer leek dan in de eerste ronde, uitgepierd! Bij de eerstvolgende drinkpost stopte ik voor de tweede keer met lopen, dronk een aantal bekertjes leeg en zocht naar een vrijwilliger om mijn nood te klagen. Maar alle blikken zeiden: ‘Jij moest toch zo nodig! Nou, dan ga je nu ook niet lopen zemelen. Voor een beetje pijn in de benen is nog nooit een paard geslacht…’
Maar dat was het niet. Pijn is nog te bevatten. Wat mij aangreep was juist dat ik helemaal geen pijn voelde. Of althans, mijn benen voelden zoals je arm voelt als je te lang in een verkeerde houding hebt gelegen. Een soort slaapgevoel. Doodeng vond ik het. Hoe ik de finish gehaald heb, weet ik nauwelijks. Het enige wat ik bewust voelde was het goedje van Hans dat rechtstreeks een gat door mijn maagwand probeerde te branden. Kokhalzend vervloekte ik alles wat fluoresceerde. Vergif was het!
Ik werd nog een paar keer ingehaald. Een van mijn mede-lopers snauwde me zelfs toe dat ik een zwakkeling was toen ik opnieuw een keer was overgegaan op de wandelpas met mijn handen in mijn natte nek. De laatste twee kilometer door de stad, mijn eigen stad, werd in plaats van een triomftocht een helletocht. Tot mijn schrik zoefde de rasta met de witte kniekousen me op het laatst nog voorbij. Toen ik omkeek zag ik dat Rinus ook al in aantocht was. Met mijn laatste krachten, perste ik er nog iets van een eindspurt uit en bereikte De Roode Steen, waar de eindstreep was getrokken, in 3.28 uur. Toch nog nipt binnen de drieënhalf uur die ik me aan het begin van mijn voorbereiding als streeftijd had opgelegd.
De Roode Steen is het oudste plein van Hoorn. Het telt verscheidene historische gebouwen uit de zestiende en zeventiende eeuw. Vooral de pronkgevel van het voormalige Statenhuis, met daarop zeven leeuwen in marmer die elk hun voorpoten op het stadswapen van een van de westfriese gewesten laten rusten, springt meteen in het oog. Het was in de schaduw van deze gevel dat ik meer dood dan levend op een bankje neerzeeg naast de rastafari die een minuutje voor mij gefinished was. Met een grijns reikte hij me de hand. ‘Goeie tijd, man!’ zei hij. Maar de leeuwen keken smalend op me neer. Het duurde twee weken voordat ik zin kreeg dit verslag te schrijven. ‘Die tijd had je nodig om het te verwerken…’ zei mijn vriendin toen ze mijn vingers op het toetsenbord hoorde hameren.
Albert Bobeldijk


