Leren spikes van een pond per stuk
![]() |
Op 21 januari overleed Alida Gerritsen-De Vries (92) in haar woonplaats Amsterdam. Als eerbetoon aan deze atletiekvrouw in hart en nieren publiceren wij hier integraal het interview dat zij in 2003 gaf aan Runner's World.
Van 23 tot en met 31 augustus vinden in Parijs de Wereldkampioenschappen atletiek plaats. Wie zijn verleden niet kent, blijft eeuwig een kind, wist de klassieke redenaar Cicero al. Deze oude wijsheid indachtig, bezochten wij een ooggetuige uit een vergeeld atletiektijdperk. Ali Gerritsen-de Vries (88) was in de jaren dertig een van Nederlands sterkste sprinters, en na de oorlog zette zij zich als sportbestuurder in voor de vrouwenatletiek. In 1980 ontving ze een koninklijke onderscheiding voor haar verdiensten.
‘In 1928 werden in Amsterdam de Olympische Spelen gehouden. Ik was toen een jaar of veertien en vond het allemaal reuze interessant. Omdat we in Rotterdam woonden, kon ik het jammer genoeg niet van dichtbij volgen. Mijn vader diende als sergeant-majoor in het leger en toen hij in 1932 werd overgeplaatst naar Kattenburg, verhuisden we met het hele gezin naar Amsterdam.
Mijn vader moest als militair marcheren in de Vierdaagse van Nijmegen en dat bracht mij op het idee om lid te worden van een wandelsportvereniging. Meneer Visser, onze trainer, had een moderne kijk op sport. Tijdens een wandeling langs het Noord-Hollands Kanaal kreeg hij opeens een ingeving: we zouden een stukje gaan zwemmen. En toen we het water uitkwamen, moesten we een stukje hardlopen. We waren jong en dartel en iedereen deed het zonder mankeren. In een weitje speelden we tot slot diefje-met-verlos. De jongens en meisjes apart, welteverstaan. Meneer Visser zag dat ik erg hard kon lopen en was benieuwd of ik de snelste jongen kon verslaan. Ik protesteerde, want ik had geen zin om klop te krijgen. Maar tot mijn eigen verbazing liet ik die jongen makkelijk mijn hielen zien.
Weet je wat jij moet doen, zei meneer Visser, je zou eens mee moeten doen aan de nieuwelingendag op het Olympiaplein in Amsterdam. Dat leek me wel wat, dus ik erheen. Toen ik me meldde bij de start van de 100 meter, vroeg de starter waarom ik geen schepje had. Dat had je nodig om een kuiltje te graven, voor de start. Ik kon er gelukkig eentje lenen. Laat ik nou nog winnen ook!
Met sprongen vooruit
Ze vroegen of ik lid wilde worden van ADA, de Amsterdamse Dames Atletiekclub. Daar leerde ik echt keihard sprinten, ik ging met sprongen vooruit. Toen de Nederlandse ploeg terugkeerde van de Olympische Spelen in Los Angeles (1932), mochten we tegen ze uitkomen. Ik werd tweede achter Tollien Schuurman, de Nederlands kampioene van die dagen, en versloeg verder alle sprintsters die naar de Spelen waren geweest.
Ik hoorde vanaf dat moment bij de beste sprintsters van Nederland en liep 11.9 op de 100 meter. Dat ging niet op die lichte schoentjes van vandaag de dag, hoor. Wij droegen zware leren spikes van een pond per stuk, met van die lange ijzeren spijkers er onder. Als die versleten waren, gingen we naar de sportzaak van Smit op de Elandsgracht, die zit er nu nog. Die trok de zool eraf, zette er nieuwe spijkers onder en lijmde de boel weer vast.
Rond 1935 leerde ik Fanny Koen kennen. We werden meteen de dikste vriendinnen, op foto’s zie je ons altijd naast elkaar staan. Aanvankelijk was ik de beste van ons tweeën. Op de Spelen van 1936 mocht ik op de 100 meter en op de estafette starten, Fanny alleen op de estafette. Maar ik zag als een van de eersten over hoeveel talent zij beschikte. Ik voelde gewoon dat ik haar niet lang meer zou kunnen voorblijven. Later, toen Jan Blankers zich met haar carrière ging bemoeien, werd ze egoïstischer en bekoelde onze vriendschap. Heel sneu was dat.
Angstaanjagend
De atletenparade in Berlijn maakte een grote indruk op me. Toen Hitler met zijn gevolg het stadion binnenkwam, kon je een speld horen vallen. Het was echt doodstil. Alsof er een onzichtbaar teken was gegeven, brulden de duizenden op de tribunes opeens allemaal tegelijk Sieg Hiel, Sieg Heil. Dat was echt angstaanjagend. Maar wat zeker zo shockerend was: de aardige Italiaanse hordeloopster Trebisonda Valla, met wie ik in het Frauenheim (het olympisch verblijf voor de vrouwen) bevriend was geraakt en die later goud zou winnen, bracht óók de Hitlergroet. Toen we voorbij de ereloge liepen, moest ik volgens het protocol opzij kijken en kon ik die hele kliek duidelijk zien zitten. Hitler zat onbeweeglijk in het midden, en naast hem stonden die dikke Herman Göring en de broodmagere Joseph Goebbels.
Toen het toernooi in volle gang was, liep ik op het middenveld Jesse Owens tegen het lijf. Hij zou uitgroeien tot de ster van de Spelen en vond het goed dat ik een foto van hem maakte. Amerikaanse atletes op de tribune vertelden me dat hij hier in Berlijn meer aandacht zou krijgen dan thuis, in de Verenigde Staten.
Tinus Osendarp won voor Nederland brons op de 100 en de 200 meter. Het was me aanvankelijk niet duidelijk dat hij nazi-sympathieën koesterde, niet in Berlijn althans. Vlak na de Duitse inval verscheen hij opeens bij een wedstrijd in een tenue met runentekens. Wat heb jij nou voor een lelijk pakkie aan, beet ik hem toe. Mijn vriendinnen keken me geschrokken aan, maar ik ben niet op mijn mondje gevallen en voegde er nog aan toe dat ik het gewone clubtenue véél mooier vond. Ik begrijp nu nog niet waarom die man zo’n foute keuze heeft kunnen maken in de oorlog.
In 1940 kwam er een abrupt einde aan de trainingsavondjes op het gezellige Olympiaplein. De Grüne Polizei had de atletiekbaan gevorderd om er zelf te kunnen trainen, voor ons was de toegang op dat moment verboden. In 1943 werd ik moeder en in de hongerwinter van 1944 lag het hele openbare leven stil, dus ook de sport. Na de bevrijding organiseerde ADA een groot feest, waarna het verenigingsleven weer langzaam op gang kwam.
Jurydiploma’s
Ik ben nog tot eind jaren vijftig doorgegaan met de wedstrijdatletiek, en heb op m’n 43ste mijn spikes aan de wilgen gehangen. Ik zag uitdagingen op het sportbestuurlijke vlak en ik nam zitting in de Commissie Dames Atletiek van de KNAU. Daarnaast haalde ik mijn jurydiploma’s. Pas in 1996 ben ik gestopt met het jurywerk, het werd echt tijd om dat aan jongere mensen over te laten. Ik word binnenkort 89, maar ik ben nog goed gezond. Ik prijs me gelukkig, zeker als ik hoor hoe slecht Fanny er nu aan toe is. Ze herkent niemand, weet niks meer, zit vastgebonden. Fanny heeft me veel verdriet gedaan, maar dit gun ik haar niet.
Als ik terugkijk op mijn atletiekcarrière, kan ik zeggen dat ik alles eruit heb gehaald wat erin zat. Ik volg de atletiek nog steeds op de voet, maar zou de topatleten van nu geen bruikbare adviezen meer kunnen geven. Dat komt voornamelijk omdat de manier waarop de sport wordt beoefend, na zestig jaar wezenlijk is veranderd. Het ligt niet aan het niveau dat ik ooit heb gehaald, want er zijn nog steeds niet veel vrouwen in Nederland die 11.9 lopen op de 100 meter. Mijn topsportervaringen zijn als het ware verjaard, niet meer op deze tijd van toepassing.
Ik vind wel dat de jongeren van nu veel makkelijker tegen dingen aankijken. Wij gingen vroeger na afloop van de sprinttraining nog een uurtje door, met een extra estafettetraining. Als je wegbleef, kwam de trainer je opzoeken. Op de Nederlandse kampioenschappen zag ik deze zomer een van onze beste sprintsters te snel vertrekken, zodat de derde loopster het stokje niet meer kon overgeven. Toch niet genoeg geoefend, denk ik dan. Wil je wel geloven dat ik me ontzettend verheug op de wereldkampioenschappen atletiek in Parijs? Daar ga ik straks eens lekker voor zitten.’
Bron: Runner’s World, september 2003
Tekst: Peter Klooster
[23 januari 2007]
Foto: Sido Martens


