![]() |
Op een reclamezuil in Castricum, de woonplaats van Hugo van den Broek (33), hangt nog een oud aanplakbiljet van het jaarlijkse loop- en wielerevenement de Dubbele Lus. Twintig jaar geleden zag hij, als twaalfjarig ventje, de hardlopers voor het eerst voorbij komen en hij wist meteen: dát wil ik ook. Inmiddels verdient Hugo zijn geld met topsport, is hij getrouwd met hardloopster Hilda Kibet en leeft hij het grootste deel van het jaar in Kenia. Waar het mooi is, en warm, en rustig.
TEKST: Arjan Visser - FOTO'S: Peter Oey
‘Als ik in Nederland ben, geniet ik van het prachtige wegennet, van een warme douche of van het idee dat je om de hoek een pizza kan bestellen, maar ik verbaas me ook over de manier waarop mensen hier met tijd omgaan. Laatst belde mijn moeder over een bijeenkomst, bij ons thuis. Ze had bedacht dat ze van vier tot acht zouden komen, maar, vroeg ze, misschien was van half vier tot half acht toch beter? Ik moest daar erg om lachen. In Kenia ben ik gewend dat iedereen komt en gaat wanneer hij wil. Daar zijn ze toch iets losser, minder rigide.’
Zie je iets van die verschillen ook terug in jouw relatie met Hilda?
‘Voor een deel wel, maar we hebben ook verandering bij elkaar teweeggebracht. Ik was altijd erg streng met voedsel; dan bedankte ik bijvoorbeeld voor vis omdat ik eerder die dag iets met veel vet had gegeten. Onzin, vond Hilda. En zo begreep ik in het begin niet dat zij zomaar een training kon overslaan, of genoegen nam met minder slaap. Tot ik begreep dat ze die tijd op een andere manier inhaalde en dat zij zich beter voelt als ze soepel met die regels omgaat.’
Jij bent niet zo’n zondaar.
‘Eh… Op welk gebied?’
Laten we het maar bij eten houden. Dankzij Hilda ben je misschien iets minder streng maar je lijkt me sowieso niet het type dat zich volpropt met van alles en nog wat.
‘Nee. Ik ben gek op chocola, ’s avonds een stukje voor bij de thee. En ik eet ook wel eens patat, maar die bak ik dan zelf, in de oven. Daar neem ik een flinke salade bij, wat broccoli en een stukje biefstuk – om te compenseren, maar ook omdat ik dat lekker vind.
Voor mij is het gewoon een levenswijze. Ik vind dat je, als je aan topsport doet, goed voor je lichaam moet zorgen. Het is mijn werktuig; de boel moet gewoon optimaal functioneren. Dus: veel groente en fruit, koolhydraten en eiwitten. Geen snoep en vettigheid. In Kenia eet ik ’s avonds meestal ugali, dat is een soort maïsmeelpap, niet bepaald een delicatesse. Daarom rijden we, een enkele keer, naar een restaurant in de buurt om kip en frites te eten. Lekker. Maar ik heb dat soort pretjes niet nodig om me goed te voelen.’
Ben je zo opgevoed: opletten, niet uit de band springen?
‘Ik denk het. Als ik vroeger om elf uur thuis moest zijn, dan was ik ook om elf uur thuis. Maar ik had ook niet de behoefte om langer door te gaan. En ik spaarde liever mijn zakgeld op dan dat ik er steeds maar snoep voor kocht. Misschien moet je die aanleg voor zelfdiscipline wel hebben als je een goede marathonloper wil worden. Als het een kwelling voor je is om op voeding en bedtijd te letten – trainen, rusten, trainen - dan hou je deze sport niet lang vol.’
Lijken marathonlopers op elkaar?
‘Ja, veel lange afstandlopers zijn een beetje zoals ik. We worden wel eens monniken op de lange afstand genoemd, maar dat beeld klopt niet helemaal. Goed, we zijn over het algemeen rustige mensen, we zijn behoorlijk gedisciplineerd en we ontzeggen onszelf de korte termijn geneugten; op een feestje voor lange afstandlopers zal weinig geks gebeuren. Waarmee ik overigens niet wil zeggen dat sprinters mensen zijn die voor de instant bevrediging kiezen. Zij kunnen zichzelf net zo goed maandenlang van alles ontzeggen. Ik geloof wel dat ze – ook weer over het algemeen – iets drukker, iets extraverter zijn. Je kunt dus beter naar een feestje voor sprinters gaan.'
En die onthouding, dat feest waar niets geks gebeurt: dat is allemaal om een minuut van die 2:12 af te knabbelen?
‘Ja.’
Hoe kan dat nou levensvervullend zijn? Ik bedoel: wat schieten we er eigenlijk mee op dat jij zo hard kan lopen?
‘Niks maar… geloof jij dan dat het leven op zich een doel heeft? Je moet een doel kiezen. Misschien moet je je voortplanten – dat is inherent aan de natuur – maar verder kies je iets wat je voldoening geeft. Voor mij was dat hardlopen. Ik ontdekte dat ik mezelf kon verbeteren en daar kwam uiteindelijk – zo rond mijn vijfentwintigste – ook nog bij dat mijn prestatie aandacht van anderen ging krijgen. Ik werd gezien. Precies zoals ik vroeger Gerard Nijboer en – later – Bert van Vlaanderen zag. Zo goed wou ik ook worden.’
Waarom?
Lees hier verder...