Siberische halve marathon
Tekst: Peter Klooster
Hoe snel kun je acclimatiseren in de Siberische winter? Runner’s World-redacteur Peter Klooster meldde zich aan voor de halve marathon van Omsk en had slechts een paar dagen om te wennen aan de extreme kou.
Omsk, 3 januari 2008. Het is acht uur in de ochtend. De thermometer geeft bijna 30 graden onder nul aan. De wereld is wit en stil, buiten is geen levende ziel te bekennen. De rivier de Irtisj is bedekt met een dikke laag sneeuw en ijs. Ik bereid me voor op een duurloop van een uur, mijn sportieve vuurdoop in het Siberische klimaat. Om een indruk te krijgen van wat me te wachten staat, zet ik het raam van mijn hotelkamer wagenwijd open. In een mum van tijd is de warmte vervlogen. IJskoude lucht prikt in mijn neusgaten en longen, ik moet hoesten.
Het lijkt me verstandig om een warm bad te nemen voordat ik me in de ijzige kou begeef. Ik kleed me uit en draai de kranen open. Dat blijkt niet de juiste volgorde: pas na twintig minuten slagen de bijna bevroren leidingen erin warm water te produceren. Twee loopbroeken trek ik over elkaar aan, twee thermoshirts, een trui, een jack en een gevoerde bodywarmer. En een bivakmuts, zodat de vrieslucht niet rechtstreeks mijn longen in gaat. Daar overheen zet ik een dikke ijsmuts op. Een skibril moet mijn oogleden en hoornvlies beschermen tegen bevriezing. Het enige dat onbeschermd is, is mijn neus. Ik bekijk mezelf in de spiegel en schiet in de lach. Die terrorist, ben ik dat?
Behoedzaam schuifel ik over het spekgladde marmeren bordes van het hotel, vervolgens daal ik over een stijf bevroren rode loper zo snel mogelijk de trap af. Warm blijven is het devies, ik begin direct te lopen door de versgevallen sneeuw, die tot halverwege mijn schenen reikt. Welke gevaren bedreigen een eenzame loper in deze wondere witte wereld? Hij kan verdwalen, uitglijden, ter aarde storten, iets breken, het bewustzijn verliezen, onderkoeld raken en in het ergste geval doodvriezen. Geen aanlokkelijk vooruitzicht. Ik neem daarom geen risico en beperk me tot het volgen van een voetpad, waarvan de contouren zich vaag aftekenen in de sneeuw.
Alarmsignalen
Als ik over de onbeschutte kade langs de rivier loop, dringt de kou zich in volle hevigheid aan me op. Hoewel het nauwelijks waait, snijdt de kou dwars door mijn muts en broek, alleen mijn romp koelt niet meteen af. Warm worden lukt amper. Mijn spieren en gewrichten blijven stram aanvoelen, ademhalen doet zeer. Mijn neus produceert alarmsignalen, ik realiseer me dat hij aan het bevriezen is. Ik til mijn skibril op en trek de bivakmuts over mijn neus. Als ik de bril terugzet op mijn gezicht, is de condens op het glas al bevroren. Hoewel mijn gezichtsvermogen nu flink is belemmerd, probeer ik toch wat tempo te maken. Ik glibber, glijd en struikel, maar geniet met volle teugen van deze onderneming.
IJspret
De volgende dag besluit ik het parkoers van de wedstrijd te gaan verkennen. Met een temperatuur van 21 graden onder nul is het al minder koud dan gisteren. Ik maak mezelf wijs dat ik al aan de omstandigheden begin te wennen en begin vol vertrouwen te lopen. Het parkoers is gesitueerd rond de militaire academie van Omsk, in een stadspark waar zich meerdere sportfaciliteiten bevinden. Op het ijs van de rivier de Om spelen twee soldatenteams luidruchtig een partijtje ijshockey, in het park staan adembenemende ijssculpturen. Wat kan de winter toch mooi zijn!
Mijn gedachten dwalen af naar mijn jeugd. Schaatsen op de sloot, koek-en-zopie bij de molen aan de dijk. Ik denk aan taferelen van ijspret, vastgelegd door Hollandse meesters uit de Gouden Eeuw, kerstkaarten van Anton Pieck, boterhammen met pindakaas en de Elfstedentocht. Waar zijn ze toch gebleven, die ouderwetse winters?
Ik geniet van de Siberische kou, blijkbaar zitten die winters nog altijd in mijn genen. Ik krijg zin in de wedstrijd, al durf ik me over een snelle tijd geen illusies te maken. De skibril, de bivakmuts, de verschillende lagen kleding, de gladde ondergrond en de kou zijn stuk voor stuk remmende factoren. Als ik de halve marathon binnen de twee uur kan voltooien, mag ik mijn handen dichtknijpen.
Antivriesgenen
Vladimir Lavrov, mijn tolk en chauffeur, laat de motor van zijn auto draaien. De kachel blaast op volle toeren warme lucht. Hier zit ik goed tot ik me naar de start van de halve marathon moet begeven. Het vriest ‘slechts’ 15 graden, maar een krachtige noordoostenwind maakt dat het veel kouder aanvoelt. Met nog vijf minuten te gaan, spring ik uit de auto en voeg me bij de ruim zevenhonderd deelnemers die al staan opgesteld. Warmlopen doe ik wel in de eerste kilometers, daar wil ik nu geen energie aan verliezen. Ik heb al minder kleding nodig dan tijdens mijn eerste duurloop, nu vijf dagen geleden, en ook de skibril heb ik thuisgelaten.
Dan klinkt het startschot, de meute stormt naar voren. Ik begin rustig, mijn voeten tasten de gladde weg af. Krachtig afzetten gaat niet, want dan glijd ik zeker uit. Het komt erop aan een hoog ritme aan te nemen en korte passen te maken. De straten zijn niet sneeuwvrij gemaakt, het oppervlak wordt gladder naarmate al die lopersvoeten de sneeuw meer en meer aanstampen. Bochten worden voorzichtig genomen.
Naast me lopen twee bebaarde Russen. Lange, sterke, slanke kerels, die zich zwijgzaam en stoer door de kou naar voren werken. Ik besluit te profiteren van hun ervaring en ga in hun kielzog mee. Na tien kilometer ben ik helemaal los en soepel. Wind en kou kunnen me niet deren, de wedstrijd neemt me volledig in beslag. Mijn antivriesgenen zijn op tijd uit hun winterslaap ontwaakt.
Het publiek langs de route reageert overal enthousiast. Oudere dames in bontjassen zwaaien met Russische vlaggetjes en doen dansjes om warm te blijven. Na het keerpunt komt Vadim Oelesjov me tegemoet, een plaatselijke broodloper en favoriet voor de eindzege. Lichtvoetig en ongenaakbaar snelt hij door de sneeuw, een prachtig gezicht.
Bij de Tata-poort, een monumentaal verdedigingsbolwerk, staat de trouwe Vladimir klaar met hete thee, zoals afgesproken. Even stoppen voor een slok, dan snel weer verder. Plotseling is daar de finish, de klok staat op 1.22. Vladimir heeft geteld en volgens hem ben ik geëindigd als 22ste.

