Zoete wraak

bus openbaar vervoer hardlopen hardloopschoenen

Drie voor vijf, dat red ik net. Ik haast me over St Georgestreet naar Gloucester Greene, het busstation van Oxford. Mijn werkbezoek zit er op, nu snel naar London Heathrow en dan naar huis. Ik ben hondsmoe. Een voor vijf, daar is het station. Ik zie mijn bus, de blauwe X70 met de gele zijspiegels, die uitsteken als een paar olijke flaporen. Gelukkig, hij staat er nog. Ik wuif vrolijk naar de chauffeur die lodderig voor zich uitkijkt.

“Hello!”, roep ik. Ziet hij met niet? Dat is onmogelijk. Ik ben 1.93 meter en sta pal voor de voorruit met m’n XL ledematen in de lucht te maaien alsof ik door een zwerm horzels wordt aangevallen. Hij doet alsof hij me niet ziet, de bloederige bastaard. “Hellohoo!” De chauffeur start de motor, kijkt in de gele flaporen, zet de bus achteruit en rijdt tergend langzaam weg.

Zo kom je niet van een hardloper af. Ik twijfel geen moment, trek de riempjes van mijn rugzak aan en spurt weg. Mijn rolkoffertje dendert achter me aan. Terug over St Georgestreet via St Giles naar Broad Street. Trinity College schittert in de nazomerzon. Ik zag hier ooit opnames van Lewis, maar vandaag is de straat bezet door een Marrokaanse markt. Ik slinger ertussendoor. In volle vaart langs de allereerste Oxfam-winkel richting het Sheldonian Theatre uit 1664, dat de overgang van barok naar neo-classicisme markeert.

De laptop in mijn rugzak trekt hard aan mijn schouders, maar ik geef niet op. Via het Museum of the History of Science naar de Bodleian Library, ontstaan in de veertiende eeuw en daarmee een van de oudste bibliotheken van Europa. Vlugger, moet ik, vlugger. De rolkoffer springt over de kasseien van Radcliffe Square langs Herfort en Brasenose College. Daar is de University Church of St Mary the Virgin, een van de prachtigste universiteitsgebouwen ter wereld, maar voor mij beroemd om de keuken van het Vaults & Garden Cafe in de gewelven eronder.

Highstreet, anderhalf kilometer verder, ik ben er. Bij de bushalte voor het All Souls College kom ik tot stilstand. Zenuwachtig tuur ik over straat. Zie ik daar iets blauws met gele uitsteeksels? Jawel, daar komt-ie! De bus stopt met een puf voor mijn neus. Als de chaffeur de deur opendoet, zakt zijn mond open. Ik kijk hem grijnzend aan:
“Zag je me niet daarnet bij het busstation?”
“Ik eh”, sputtert hij, “ik keek in mijn spiegels.”
“Aha, dus toch.”

Dan laat ik me in mijn stoel zakken en soes tevreden weg, terwijl de gele flaporen koers zetten op Heathrow.


Tim van der Veer
September, 2011








volg ons