
Hardlopers zijn verslaafd aan de tijd, hoe relatief die ook is. Zo liep ik afgelopen zondag tijdens mijn lange duurloop een nieuw wereldrecord op de 1.000 meter. Terwijl ik bij De Bilt onder de A28 doorliep, dook ik zomaar onder de twee minuten.
Beslommerd door deadlines, duisternis en december, kon ik de slaap niet vatten. Ik sloop naar beneden en zette de televisie aan, het opium van het volk. Op het scherm verscheen Monty Don, een BBC-presentator met een babbel die meer dan één teiltje vereist.
Afgelopen zondag won Haile Gebrselassi de Zevenheuvelenloop in 42 minuten. Meesterlijk maar weinig verrassend. In 1994 vloog de Ethiopiër met de iconische grijns ook al als eerste over de streep. Interessanter is de overeenkomst tussen Haile en de Hulk.
Mevrouw Van der Veer en ik hebben een nieuw hoogtepunt in onze relatie bereikt: sinds kort proppen we allebei de wasmand vol met stinkende hardloopkleren. Ik heb nooit geprobeerd om haar aan te steken met het loopvirus maar ze heeft het stevig te pakken.
Drie voor vijf, dat red ik net. Ik haast me over St Georgestreet naar Gloucester Greene, het busstation van Oxford. Mijn werkbezoek zit er op, nu snel naar London Heathrow en dan naar huis. Ik ben hondsmoe. Een voor vijf, daar is het station.
Een beetje hardloper komt overal en maakt daardoor de vreemdste dingen mee. Wanneer ik op Facebook vraag ‘Wat is het gekste dat je ooit tijdens het hardlopen bent tegengekomen?’, stromen de antwoorden meteen binnen.
Mijn Asics Kayano’s. Mede dankzij mijn maatje 46, zijn dit de moederschepen der loopschoenen. De vraag is nog even welk paar: de witte of zilvergrijze? Het worden de witte, dan komen mijn benen bruiner uit. De Vibram Five Fingers moeten ook mee.
Iedereen kan hardlopen maar niet iedereen kan de Veluwezoomtrail hardlopen. Ik misschien ook niet, concludeer ik, wanneer ik op zondag 26 juni over de finish kom na 52 kilometer over klevende modderpaden. Als een marionet met verwarde touwtjes ga ik op de bosgrond zitten. Achter mijn zonnebril rolt met een traan het laatste restje water en zout uit mijn lichaam.
De regerend Olympisch kampioen op de marathon, Samuel Wanjiru is op 16 mei overleden na een val van het balkon in zijn huis. De dood van de Keniaanse superatleet lijkt op een Afrikaanse versie van Midsummer Murders. Wanjiru zou door zijn vrouw, Triza Njeri, zijn betrapt in bed met een andere vrouw en werd kort daarop door familieleden dodelijk gewond aangetroffen onder het balkon.
Vorige week maandag maakte Geoffrey Mutai van de Boston Marathon één lange sprint. 2.03.02. Bijna een minuut sneller dan het wereldrecord van Haile Gebrselassi, maar dankzij een bizarre regel gaat Mutai niet de boeken in als nieuwe recordhouder.
De 11e editie van de Marathon van Utrecht staat in het teken van de Dutch Marathon Battle. Nederlandse toplopers gaan dit keer niet met hazen op weg voor een snelle tijd maar strijden tegen elkaar om de overwinning. Een superidee.
“Piriformis syndroom”, lachte de fysio ongemakkelijk, “dat kan wel eens lang gaan duren.” Vloekend strompelde ik weer naar huis. Ik had er geen zin meer in. Mijn leeftijd heeft me eindelijk ingehaald. Hardlopen, waar is het goed voor?
Vorige week mailde een knappe vrouw dat ze aan me dacht. Nadat ik daar een kwartier met gesloten ogen van had genoten, las ik de rest van het bericht: ‘want er zijn binnen drie weken twee hardlopers dood aangetroffen op de fietspaden in Houten’. Plotseling voelde ik me oud en dom.
De kans is groot dat een hardloper de eerste wolf in Nederland zal waarnemen. Met nog maar 200 kilometer voor de boeg, is het slechts een kwestie van tijd eer de wolf onze landgrenzen bereikt heeft. Hoog tijd om wat scenario's door te nemen.
Ik heb drie idolen: Robby Naish, Haile Gebrselassi en Tom Waits. Twee sporters en een muzikant, drie ongenaakbare iconen. En ik heb het geluk dat ik twee van de drie in levenden lijve heb mogen aanschouwen.
Voorzitter, ik wil maar meteen vaart maken en heb een vijfpuntenprogramma voorbereid dat qua politieke kleur het beste bestempeld kan worden als: links, rechts, links, rechts... 1.Er komt een wet dat werknemers toestaat 45 minuten per dag te hardlopen met aansluitend tien minuten power nap. Hierdoor wordt het half-drie-inkakmoment definitief een halt toegeroepen en zal bruto/netto de arbeidsproductiviteit stijgen...
Usain Bolt heeft in Australië zijn eigen sportdrank gelanceerd. Het persbericht meldt: ‘Gatorade Bolt Lemon Ice is een mix met 6% koolhydraten, helpt snelheid in het lichaam terugstromen en voedt werkende spieren.’ Talk to the hand, zou mijn zoon van zes zeggen.
Regen is mijn favoriete loopweer. Het bos is verlaten. Druppels plenzen op mijn hoofd en sijpelen in straaltjes langs mijn gezicht. Ik ontwijk geen plassen, maar stamp er doorheen. Liefst zou ik er even in gaan liggen. Na anderhalf uur kom ik thuis. Dampend, onder de modder. Na een hete douche plof ik op de bank. Inderdaad, onder het fleece-dekentje.
Hardlopers en honden. Ze delen de letter H maar daarmee zijn alle vriendelijkheden uitgewisseld. Niets zo erg als aan het einde van een lange duurloop, wanneer de kuiten branden als aanmaakblokjes, achterna gezeten te worden door een ontrouwe viervoeter.
Levensverzekeringen, auto’s, poëzie, gloeilampen, bouwliften... Als communicatieman heb ik heel wat bedrijven bijgestaan om hun waar aan de man te brengen. Acht jaar geleden had ik er genoeg van.
Het grint van ons erf in Couvin knerpt onder mijn voeten en met een zucht druk ik op het stopknopje van mijn horloge. Vier uur, 43 kilometer, 1500 hoogtemeters. Mijn eerste ultra zit er op.
De donkere kant van het hardlopen. Ik krijg meteen een visioen van Darth Vader, joggend in een loeistrakke hardlooplegging: "the force is strong with this one." Maar afgelopen zondag, tijdens de Rotterdam Marathon, begreep ik wat Koos Rademaker werkelijk bedoelde.
“Toen ik gedurende een progressieve duurloop werd verrast door een lentezon die als de hand van mijn geliefde door mijn nek gleed, schoot ik in een bizarre huppelpendelpas waarbij ik spontaan temporiseerde en door de tegennatuurlijke voorvoetlanding prompt hielspoor opliep.”
Of toeval bestaat, laat ik even in het midden. Toch is het op zijn minst opmerkelijk dat twee toonaangevende dagbladen in dezelfde week aandacht schenken aan lopen op blote voeten.
"Ga je mee hardlopen?”, vroeg mijn huisgenoot David. “Ja, lachen”, zei ik want ik vond alles lachen in 1992. David kwam uit Amerika en studeerde fysiotherapie in Nederland.
Het is half een. Ik loop op een aardedonker weggetje in Iffley, een gehucht bij Oxford. Mijn koffer rolt ongeduldig achter me aan. Uit het donker doemt een statig Victoriaans huis op.
Terwijl het bier er gemakkelijker in gleed dan de biljartballen, maakten we de stand op. Vrouwen versus vrienden: 3-0. Hans stond droog, Matthijs was bedrogen en ik had gezeik voor drie. Hoe was het mogelijk?
Op tafel staat een beker. Mijn jongens dansen er als indianen omheen: “Vette beker, papa, zijn jullie nu kampioen?” Nee, na twee keer goud moest het schrijversteam van de Arbeiderspers zich tevreden stellen met zilver op het NK Estafette Marathon.
Op zoek naar een idee voor deze column, vroeg ik advies aan mijn Twitter-vrienden. Voor de lezer die nu peinzend zijn pijpje leeg klopt tegen de hak van zijn Birkenstock: Twitter is een internetprogramma waarmee Obama zijn overwinning heeft behaald en jij met je vrienden kunt delen dat je vanavond platgekookte witlof eet. Een sociaal netwerk.
Precies twintig jaar geleden verhuisde ik naar een studentenhuis in Utrecht. Als je in de keuken te lang stil stond, kwam je niet meer los van de vloer. Internationaal vermaarde biologen bezochten ons huis om de biodiversiteit in onze douche te onderzoeken. En de WC dateerde uit een tijd, ver voor de uitvinding van het WC papier. Kortom, ik was de koning te rijk.
Utrecht wil vreselijk graag een wereldrecord. Met het Wereldrecordfestival (drie maal de woordwaarde) is het niet gelukt. De Ethiopische Meselech Melkamur liep een fraaie 29.53.80 maar kwam niet in de buurt van het record. Dat blijft op naam van Junxia Wang, die daar overigens een heksendieet voor volgde van schildpaddensoep, jujube-heesters en slakkenpaté. Echt, ik verzin het niet.
Sommige dingen gaan niet lekker samen. Spinazie en drop, prikslee en Suriname, paperclip en vogelbekdier, coupe soleil en menselijkheid. Terwijl ik dit schrijf, lopen de spanningen direct hoog op. Ongebluste kalk en water: zolang je ze uit elkaar houdt, is er niets aan de hand. Maar zo zitten wij mensen niet in elkaar. Nieuwsgierigheid is onze grootste drijfveer. We houden van knoeien, experimenteren, lekker de dingetjes door elkaar husselen. Misschien ontploft het, misschien is het goud.
Je zou het niet zeggen, maar ik ben een Bourgondiër. Schroef dit geraamte open en je vindt een dik mannetje met glanzende wangen, pretoogjes en een royale aardbeineus. En die gezellige dikkerd vindt dat hardlopen allemaal maar zozo.
18 Juni 1991: Vangelis, de monsterlijk behaarde koning van de synthesizer, zou een groots concert geven in Rotterdam, inclusief lasershow die de Maas in alle kleuren van de regenboog zou oplichten. Daar stonden we, met duizenden opeengepakt op de oever.
Het begon zo mooi, zo prachtig. De fris ontwaakte zon toverde de Kromme Rijn in een mozaïek van gebroken spiegels. Eekhoorntjes krabbelden schichtig langs de bomen omhoog. Een haas nam een spurt waar Dwain Chambers voor zou buigen, met of zonder doping.
Terwijl ik wiebel op het ene uitgeputte been om een sok om het andere te binden, zwiept de WC-deur tegen mijn hoofd en vraagt een man in een smetteloos wit, doorschijnend onderbroekje: “Is dat jouw handdoek?”
Een bakje gehakt dat je maanden geleden op de uiterste houdbaarheidsdatum invroor, een vergeten bodempje babi pangang, wat losse plakken bladerdeeg gehuld in een dikke mantel van druipend ijs. Het bos stinkt als een ontdooiend diepvriesvak.
Wanneer mijn collega’s in een lange rij staan te dubben tussen saladebar en gehaktstaaf, sluip ik met een plastic tasje naar de kelder. Vrijwel niemand weet dat we een riante kleedruimte met douche hebben.
Daar staan we. Een kluitje bibberende hardlopers onder een knaloranje plastic boog van de Rabobank. Alsof die ons kan beschermen tegen de wind. De wind die door mijn d-d-d-dunne shirtje waait. De wind die me van mijn tijd gaat houden. Terwijl donkere wolken in slierten door het zwerk jakkeren, blijft de speaker opbeurende woorden braken.
Je mocht drie C-boeken en twee J-boeken van de bieb lenen. Ik was met zestien jaar enigszins laat in de ban van Thea Beckman, dus die C-boeken waren snel gekozen. Met de J-boeken lag het anders.
Ik haat de Dam tot Damloop. Zo, dat lucht op. Nu nog waarom. Dat laat zich samenvatten in een getal: 1.00.02. Het diepe leed dat hierachter schuilt, hoef ik - denk ik - niet toe te lichten. In gedachten zie ik uw oogleden zwellen.
Het einde van een zomerdag aan de Zeeuwse kust: kinderen vangen en met een ijsje naar de auto lokken. “Hoe heet het hier eigenlijk, papa?”, vraagt mijn zoon. “De Lage Duintjes”, hijg ik terwijl ik met mijn volle gewicht de kinderwagen naar boven duw. “Ik vind ze anders hoog genoeg”, bromt een man naast me.
Al had Federer hem met bal en al van het Centre Court geslagen, Nadal was winnaar. Niet alleen van Wimbledon, maar van zo veel meer. De commentatoren vergeleken hem met Rocky, maar ik zag Tarzan, de ultieme jager met glanzende spieren, lange haren en een oerkreet bij elke slag.
Er zijn niet veel Amerikaanse steden waar ik voluit durf adem te halen. In Boston wel. Er zijn bovendien huizen die ouder zijn dan honderd jaar. Aan de kade kun je een pint pakken en over een naar zeewier ruikende oceaan turen, zonder eerst een lening te moeten afsluiten. Prettige stad. Zo on-Amerikaans, het lijkt wel Europa.
“Zo jongens, morgen is het Pinksteren”, zeg ik. Tibor, vier jaar, stuitert van de bank van het lachen: “Pinksteren? Dat is toch geen woord. Nee, dat kan zo niet. We noemen het Snokkie!” Ik weet even niets verstandigs en trek snel mijn Adidas Supernova Control aan.
In de stoptrein van Zandvoort naar Amsterdam staat een man in zijn onderbroek. Een hippe Björn Borg onderbroek met een riante zweetstreep over de bilnaad, om over het kruis nog maar te zwijgen. Zijn vriendin overhandigt hem een handdoekje. Haar geblondeerde haar is bezweken door de regen en plakt op haar hoofd.
Kwart over zeven, de wekker zoemt. Mijn hoofd voelt alsof er een olifant op heeft gezeten. Kreunend stommel ik naar de badkamer waar de spiegel het vermoeden versterkt dat een uit de kluiten gewassen kruising tussen een muis en een trompet zijn rimpelige huid in mijn gezicht heeft geperst.
Dario krijst. Nauwelijks acht maanden en hij imiteert feilloos het automatische fluitje van zo’n blauwgele dubbeldekstrein. Tibor, drieënhalf jaar, ligt languit op de grond en doet alsof hij niets hoort. Als ik zijn jas probeer aan te doen, houdt hij zich slap. Ik praat kalm, beheerst, eigenlijk best opgewekt. Echt, de Supernanny zou trots op me zijn.
Lornah slaapt 16 uur per dag. Met twee kleine kindjes en een joekel van een baan kan ik daar alleen maar over dromen, dagdromen om precies te zijn. Eigenlijk ziet ze er best moe uit voor iemand die zoveel slaapt.
Over Tim van der Veer
Na de Coopertest rende een tien jaar oude Tim van der Veer (1969) gewoon door, ervan overtuigd dat de wedstrijd nog moest beginnen. Twaalf marathons, tientallen wedstrijden en duizenden trainingen later staat hij nog niet stil.
Hardlopen is niet Tims hobby maar een eerste levensbehoefte. Drie tot zes keer per week houdt hij het lichaam taai en de geest scherp. Dik vijftien kilometer door een regenachtig bos en thuiskomen met modder achter je oren is favoriet. Zijn beste tijden: 2.50 op de hele, 1.15 op de halve.
Tim woont in Utrecht maar werkt over de hele wereld. Als brand manager van Oxfam International draagt hij enthousiast bij aan een toekomst vrij van armoede en ongelijkheid.
En Tim schrijft. Zijn columns verschenen en verschijnen in Dagblad De Pers, Tijdschrift Papa! en Hardlooptijdschrift 42. In 2012 komt zijn eerste boek uit bij de Arbeiderspers: een exotische zoektocht naar de essentie van het lopen. Zie verder zijn eigen website.